Leopold en de drie wensen
Er was eens een mannetje, dat Leopold heette.
Hij had blauwe ogen en een vriendelijk gezicht en hij was heel handig. Hij woonde aan zee en deed meestal precies wat in zijn hoofd opkwam. Naast zijn bed lag een grote schelp, die had hij gehad van een klein zwart mannetje dat af en toe op bezoek kwam en soms in zijn nachtkastje logeerde. Als hij de schelp aan zijn oor hield hoorde hij de zee ruisen en meestal trok hij er dan op uit; zo kwam hij in Parijs en in Barcelona. Het mannetje reisde in zijn rugzak mee. Op een dag ruiste de schelp weer. Leopold pakte zijn tas en ging met een vriend naar de Mokerheide. Het mannetje zocht een slaapplaats in het bos. Op de Mokerheide zag hij een meisje dat hem wel aanstond. Hij zei tegen zijn vriend: ”Daar ligt de vrouw met wie ik ga trouwen.” Het meisje wist daar natuurlijk niets van af, ze lag gewoon in haar hangmatje te lezen. Leopold wist haar aandacht te trekken. Hij vroeg “Wil je met me trouwen?” Nou, het meisje wist het nog niet. Leopold stapte meteen naar het zwarte mannetje en vroeg om raad. Dat mannetje dacht diep na en zei : ” Wat geef je me in ruil?” Leopold dacht ook diep na en zei: “ Mijn vioolspel” Dat vond het mannetje een goede ruil. Vanaf die dag deed de viool niet meer precies wat Leopold verwachtte en hij speelde soms vals. Hij dacht er niet verder over na en hing hem aan de muur of deed hem in de koffer. Hij trouwde en ging lesgeven, vergat de viool en legde zich toe op piano en zang. Ze kregen twee jongens, die ze Amadeus en Wolfje noemden. Ze leefden enige tijd gelukkig en tevreden en het mannetje keek toe vanuit zijn schuilhoekje. De schelp ruiste af en toe Leopold trok naar Amsterdam en later de bergen in en hij had een zangkoor dat de sterren van de hemel zong. Toen werd zijn vrouw ziek en Leopold stapte naar het zwarte mannetje en zei: “Wat moet ik geven om haar beter te maken?” Het mannetje hoefde niet lag na te denken en zei: "Je bergtochten en het zangsucces". Leopold zuchtte eens diep en knikte. Hij zou wel weer andere hobby’s zoeken. Zijn vrouw werd beter en Leopold had meteen weer nieuwe plannen: klavecimbels bouwen, piano’s restaureren, computeren. Als de schelp ruiste ging Leopold samen met zijn vrouw op reis en het mannetje lag lui in een hangmatje in de hoek van de tent. De schelp bracht hen o.a. naar Amerika, Spanje en Italië. Leopold vergat het kleine zwarte mannetje haast, maar dat vergat hem niet. Het zag wel dat Leopold ook bij pianomuziek last van zijn polsen kreeg, dat zijn haar grijs werd, zijn ogen achteruitgingen en hij hoorde hoe Leopold tegen zijn vrouw zei: “ Ik hoor geen krekels meer en geen flageoletten op de viool.” Ook zag hij dat Leopold geen acht meer sloeg op het ruisen van de schelp. Zijn vrouw zei: ” Leopold ben jij soms bang geworden om te reizen?” Het mannetje tikte Leopold op de schouder en zei: “Tja , that’s life” ,“ Ik heb wel een drankje waar je jong van wordt, maar daar staat wel iets tegenover”. “ O, ja “, zei Leopold” Je gaat op in je eigen succes en vergeet alles om je heen!”. “En denk erom, alles wat je gekregen hebt moet je voor je dood gaat teruggeven: je haren, je tanden, je kennis alles wat je bent geworden”. Hier heb je het drankje. Leopold had daar niet om gevraagd en wist ook niet of hij dat allemaal wel wilde. Hij zette het drankje naast de schelp en keek ernaar. Als hij nou alleen maar een beetje zou nemen zou hij succes hebben en misschien niet zoveel kwijt raken. Hij schroefde het flesje los en rook eraan, het rook naar bloesem. Hij luisterde aan de schelp, maar hoewel die ruiste hoorde Leopold niets. Hij droomde van verre landen… Thailand…kwam voorbij en het zei hem weinig. Hij pakte het drankje en rook er nog eens aan. Toen ging de telefoon. Zijn kleindochter was ernstig ziek. Leopold stootte het flesje om, de inhoud vloeide sissend over de schelp, die ophield met ruisen. Leopold vloog overeind en pakte het mannetje in beide handen. “Ik zie dat je nu een ander probleem hebt”, zei het mannetje. “ Wat moet ik geven om haar beter te maken?“ vroeg Leopold. “Leg je hand op haar hoofdje en pas op haar broertje”, zei het zwarte mannetje. ”Vergeet het drankje en het succes, kijk gewoon naar hoe alles naar je toekomt” Leopold ging met zijn vrouw naar het zieke meisje, legde de hand op haar hoofdje en paste op het broertje. Thuisgekomen ging hij weer naar het mannetje en gaf hem het lege flesje. Het mannetje zei: ” Een nieuw drankje kan ik je niet geven, maar de klavecimbel komt wel af. Ik heb een paar kabouters de opdracht gegeven en die zijn al goed opgeschoten. “Dat is toch nog een beetje succes”, zei Leopold “Meer heb ik niet nodig”. “Ik hoef geen bergen meer te beklimmen, geen concertpianist te worden, ik kan sommige vogels niet horen en ook flageoletten niet, maar ik kan mijn kleinkinderen zien opgroeien en de schelp daar hoef ik ook niet meer naar te luisteren, mijn familie vraagt mij wel mee op reis. Ik hoef niet langer jong te zijn.” Zijn ene zoon vroeg of hij op zijn kleindochter wilde passen. Zijn andere zoon vroeg of hij meeging naar Thailand. Zijn vrouw streek eens lachend door zijn grijze haar. Het zwarte mannetje zuchtte eens diep, sloot de voordeur achter zich en vertrok, zijn werk was gedaan.