Het zieke prinsesje

 

Er was eens ……een koning….. en een koningin.

      

Ze hadden een paleis met heel veel kamers en een mooie tuin, met palen waarlangs de bloemen omhoog groeien en een grasveld. Er was ook een bank om op uit te rusten en een bak met kruiden, want de koning en de koningin hielden van lekker eten en daar horen kruiden in. In de kamers stonden piano’s, want de koning hield van muziek. Ze waren heel gelukkig, maar de koningin zei tegen de koning: “nu hebben we een mooi paleis, maar nog veel kamers zijn leeg,  Ik wil graag een kindje”. En toen werd de wens van de koningin vervuld en ze kregen een prinsje dat Amadé werd genoemd. Amadé was een vrolijk prinsje met grote ogen en blonde krulletjes. Na een jaar zei de koningin; we hebben het zo fijn met het paleis, de tuin, de piano’s en het prinsje Amadé en er zijn nog kamers leeg. ………Ik wil nu graag een prinsesje. Laten we het vragen aan de goede fee. En dat deden ze en ja hoor de goede fee zei: “het kan, maar dan moeten jullie eerst wat oude spullen opruimen en nieuw licht maken in de grote huiskamer”. Dat deed de koning. Hij maakte nieuwe lichtjes in de kamer en de oude piano, die nog niet zo mooi speelde werd weggebracht. …….

  De koning zou een klavecimbel krijgen. Ja, daar zouden de kabouters voor zorgen, want de klavecimbel was nog niet helemaal klaar. De koning was van plan er mooie liedjes op te spelen, want hij wist dat hij dat goed kon. De koningin maakte het bedje klaar en ja hoor er werd een lief prinsesje geboren. Ze werd Nannerl genoemd en had mooie zwarte haartjes een witte huid, een lief klein rood mondje en donkere kraaloogjes. O, wat waren de koningin en de koning blij. Ze wilden hun prinsesje aan iedereen laten zien. Iedereen was blij.
  Maar op een dag kwam er een klein mannetje dat Virus heette en raakte het prinsesje aan. Hij was jaloers op de koning en de koningin en hij wilde het prinsesje meenemen.  

Het prinsesje werd betoverd, ze deed bijna haar mooie oogjes niet meer open en ging niet meer drinken.De koning en de koningin waren toen heel bang. Ze zeiden wat is er met ons mooie prinsesje. We gaan naar de goede fee. Ze kwamen bij de goede fee. Die keek naar Nannerl en zei, dat is werk van Virus, dat lelijke mannetje, die is heel sterk en ik kan niet in eens zijn werk veranderen. Hij heeft het prinsesje ziek gemaakt en wil het stiekem meenemen. Ze raakte Nannerl aan en zei; ze wordt weer beter, maar ze zal eerst zeven dagen moeten slapen en dan wordt ze door het Nieuwjaarsmannetje gekust. Jullie zullen ondertussen het Nieuwjaarsmannetje moeten gaan zoeken. Als jullie hem vinden moet je hem meebrengen en dan komt alles goed. Je moet ook goed in de kamer van Nannerl kijken want soms zit hij achter een gordijn, hij is heel verlegen en laat zich niet gemakkelijk vangen. De koning en de koningin legden het prinsesje in een bedje met een mooi geel dekentje erover en er was steeds een goede fee bij om op te letten. De koning en de koningin gingen steeds bij haar op bezoek en soms namen ze het prinsje mee en ook de opa’s en oma’s en ooms en tantes van Nannerl.

De koning en de koningin moesten wel huilen omdat ze het Nieuwjaarsmannetje nog niet vonden. Het was heel moeilijk om hem te zoeken. Na 3 dagen slapen zagen ze hem, maar hij sprong weg, het was echt een verlegen mannetje en hij was zo snel. De koning en de koningin gingen nu een plan maken om het mannetje te lokken.

Ze zetten een geel gelukspoppetje op de rand van het bed, want het mannetje hield van geel en ze gingen een ronde toversteen zoeken.Die toversteen moesten ze zoeken bij de kabouters, die in het bos woonden. De kabouters waren zuinig op deze steen, want ze hadden het vaak koud als ze van hun werk in het bos terugkwamen, ze waren dan moe en hielden dan om de beurt de steen vast om weer op krachten te komen. Het Nieuwjaarsmannetje was dol op deze steen. De koning en de koningin gingen nu met Amadé naar het bos en ze namen cadeautjes mee voor de kabouters en een elektrisch kacheltje.

  Het was heel moeilijk om de kabouters te vinden. Hun huisje ligt verscholen achter de bomen van het Haagse bos achter de duinen. Je moet eerst langs een groot wit en zwart konijn, die staan op wacht en kloppen met de pootjes op de grond als ze een boodschap hebben voor de kabouters. De kabouters liggen met hun oor op de grond en verstaan de boodschap.  

Nou, toen de koning en de koningin eraan kwamen klopten de twee mannetjeskonijnen heel lang op de grond en het bleef daarna wel even stil.Na 5 minuten kwam er een kabouter zonder baard en met flaporen vanachter een boom en zei: kom maar mee. Toen de koning en de koningin bij het kleine huisje kwamen en vertelde wat er met het prinsesje was gebeurd moesten ze allemaal huilen. Dikke tranen huilden ze, maar de steen lieten ze niet zien. De koning en de koningin vroegen er voorzichtig naar, maar ze zeiden nog niets.

  De kleine Amadé stak zijn handjes uit en zei: “Apoea apoe”, wat betekent: geef nu maar! En hij lachte en toen konden de kabouters niets anders. Ze pakten de steen en gaven hem aan Amadé.     En die was blij en riep : “die, die, dank je wel”.En de koning en de koningin gaven het kleine kacheltje aan de kabouters. Maar die hadden geen elektriciteit.

De koning wist daar wel wat op. Hij haalde een grote kabel uit zijn auto en met behulp van de kabouters en de konijnen ging hij die kabel ingraven tot aan het paleis. Zo en u hebben jullie het gratis warm, want ik betaal de onkosten zei de koning. Ze gaven alle kabouters een handje en Amadé gaf ze een nat kusje.……Toen gingen ze terug naar het paleis. In de kamer van Nannerl legden ze de steen bij het gele poppetje aan het voeteneind en ze wachtten een heleboel dagen. Soms liet het nieuwjaarsmannetje zich zien, maar dan sprong hij weer weg en de koning en de koningin wisten dat ze het mannetje uit zichzelf moesten laten komen. En ja hoor op een dag in januari, toen het buiten koud was en het sneeuwde, kwam het Nieuwjaarsmannetje eindelijk vanuit zijn hoekje en klom op het bed, maar hij schrok zo van alle slangen rond het prinsesje, dat lag te slapen dat hij weer in de gordijnen vloog. Toen waren de koning en de koningin bedroefd en zeiden het is nog niet de goede tijd.

  En Amadé riep al naar het mannetje : “bal, bal” en wees naar de steen. Ze moesten gewoon nog wachten. Op een avond, het was al laat, de koning en de koningin waren zelfs bijna ook in slaap gevallen, kwam het mannetje weer op het bedje en pakte snel de steen. Hij dacht niemand ziet me, maar toen keek hij om zich heen en zag het kleine prinsesje: o, wat was ze lief en zo stil in slaap.    

Hij werd een beetje nieuwsgierig en ja hoor, hij bukte zich en gaf haar een kus en kijk alle slangen vielen van het bed af en de koning en koningin werden er wakker van en Amadé riep: “o,jee” en toen huilden en lachten ze allemaal, want het prinsesje zat rechtop in haar bedje en wreef haar oogjes uit.Ze zei: ik ben nog zo moe. En ze stak haar handjes uit en de koningin nam haar op schoot en de koning aaide over haar bolletje…..en Amadé riep: “apoeia apoe”, wat betekent geef maar, maar hij mocht haar nog niet vasthouden, want de koning en de koningin wilden eerst zelf het prinsesje vasthouden, omdat ze wakker was en beter. Maar daarna werd het feest.…..Iedereen stak kaarsjes aan en er was muziek….. En ze leefden nog lang en gelukkig.