De hond en de wolf (een variatie op de vos en de wolf van Grimm)

 

Er was eens een hond en hij heette Bob.

Hij woonde in Drunen en hij had het daar erg naar zijn zin. Maar op een dag zei zijn vrouwtje tegen haar man: ”Kom we gaan vier weken naar Amerika, pak de koffers en dan brengen we Bob naar het hondenpension”, zo gezegd zo gedaan. Bob kwam in het pension en zijn vrouwtje en de baas vertrokken met het vliegtuig naar Amerika. Bob werd ondergebracht bij een wolf. Maar omdat Bob een intelligent hondje was groef hij een tunnel naar buiten en ging overdag voor de ingang liggen en s’avonds als het donker was ging hij samen met de wolf door de tunnel naar buiten en kwam dan bij het bos uit. Daar renden en speelden ze en Bob gaf zijn ogen goed de kost en keek af wat er in de huizen rondom het bos gebeurde. Toen op een avond gromde de wolf tegen Bob en zei: ”Bob Russell, zorg voor wat te eten of ik eet jou op”. Toen antwoordde Bob: ”Kijk daarginds is een boerderij, daar zijn een paar lammetjes geboren, als je daar zin in hebt, zal ik er een voor je halen”. Dat vond de wolf een goed idee. Ze gingen er heen en Bob stal het lammetje en bracht het naar de wolf. Hij maakte zich daarna uit de voeten, want hij was zelf al te dik en kreeg in het pension brokjes en sperziebonen. De wolf at het lammetje op, maar hij had zo’n trek, dat hij het andere lammetje ook wilde halen. Hij ging zo onhandig te werk, dat de moeder van het lammetje het merkte en verschrikkelijk begon te blaten, zodat de boeren aan kwamen lopen. Ze vonden de wolf en gaven hem een flink pak slaag. Jankend kwam de wolf terug met de staart tussen de benen en zei tegen Bob: ”Daar heb je me mooi te pakken gehad, de boeren hebben me murw geslagen”. Bob stak zijn neus in de wind en keek hem spottend aan en zei: “Jij hebt ook nooit genoeg” en at verder aan zijn sperziebonen. Na een paar dagen gingen ze er weer op uit en de vos zei dreigend: ”Geef me wat te eten of ik eet jou op!” Bob dacht even na en stak zijn voorpootje in de lucht. Hij blafte kort: “Ik weet een boerderij en daar bakt de vrouw vanavond pannekoeken, ik zal er wat voor je halen”. Ze slopen naar de boerderij en Bob speurde net zo lang tot hij erachter was, waar de schotel stond. Toen trok hij er zes pannekoeken vanaf en bracht ze naar de wolf. “Hier heb je wat” zei hij en verdween weer door de tunnel om zijn bak met brokjes en bonen leeg te eten en in zijn eentje te slapen. De wolf had de pannekoeken in een oogwenk op en dacht, die smaken naar meer! Hij ging er zelf heen en gooide de hele schotel om, zodat deze in stukken vloog. Dat gaf een geweldig lawaai, zodat de vrouw zich omdraaide en hem met de pollepel in een hoek dreef, daar pakte ze de bezem en sloeg er flink op los. Ze liet de wolf kreupel achter en die hinkte terug door de tunnel naar het pension. Bob deed een oog open en zei: ”Ben je daar weer?” en zuchtte. “Nou”, zei de wolf, “je hebt me voor de tweede maal beet gehad, dat zal me niet meer gebeuren!”. “De boerin heeft me afgeranseld”. “Och, zuchtte Bob, “je bent ook zo’n slokkop”. Toen hielden ze zich een paar dagen rustig. Daarna had de wolf weer praatjes voor tien en Bob telde stiekem de streepjes, en berekende de tijd die hij nog met de wolf moest doorbrengen. “Het wordt al minder”, constateerde hij. Ze slopen weer tegen de avond weg en de wolf liet Bob zijn tanden zien en zei: “Zorg voor wat lekkers, want ik ben de brokken zat en ik lust jou rauw!” Bob dacht even na, snuffelde wat en zei: ”Ik weet een boer, die net geslacht heeft en het vlees ligt in de diepvries in de kelder. Dat zal ik halen”. De wolf antwoordde: “Dan ga ik met je mee, je moet me helpen als ik nood kom”. Bob wees de wolf op een sluipgang en ze slopen naar de kelder, daar was een overvloed aan vlees, maar het moest nog ontdooid worden. Ze sleepten het vlees naar de kamer waar nog een vuur brandde. De boer en boerin waren al gaan slapen. De wolf had zo’n honger, dat hij flink begon te eten zodra er een stuk ontdooid was. Tegen de morgen was zijn buik kogelrond. De zon verscheen al aan de hemel en de haan kraaide. De boer hoorde wat gerommel en verscheen met een riek in de deuropening. Bob en de wolf schoten naar buiten en Bob, die niets gegeten had, hij hield zich keurig aan zijn dieet, want hij wou bij zijn baas en zijn vrouwtje in een goed blaadje staan, verdween in een oogwenk door de tunnel naar het pension. De wolf met nog een stuk vlees in zijn bek, paste met zijn dikke buik niet meer door de ingang en bleef steken. De boer gaf hem er flink van langs en schopte hem naar buiten, het erf af. De wolf sleepte zich voort en viel na drie dagen voor dood het pension binnen. Bob kon zo eindelijk uitrusten en op zijn gemak zijn bak leegeten. Op een goede dag stopte buiten een zilvergrijze Renault en stapte zijn baas en het vrouwtje uit. Helemaal in het nieuw compleet met cowboyhoed uit. “Ha, Bobbertje” zeiden ze”, Ben je een zoet hondje geweest?” Bob dacht: ik zal ze de waarheid maar niet zeggen en liep langs de uitgetelde wolf. Hij gaf hem een poot en zei: ”Vaarwel, lieve wolf, dat het je bekome!” en kwispelstaartend verliet hij het hok. De leiding zei: “we snappen niet dat Bob de hond, die wolf zo heeft toegetakeld.! Hij heeft zelf geen schram”. Ze gingen naar huis. Bob, kwispelstaartend, want Oost West, thuis is best! Met het schoonmaken van het hok vond de leiding de tunnel, maar daar hebben ze maar in alle talen over gezwegen en ze hebben hem snel dichtgegooid. De wolf ging naar het Ouwehands dierenpark en hij heeft nooit meer een tunnel gegraven, drie pakken slaag hebben hem braaf gemaakt. Die Bob Russell toch…….Hij leefde nog lang en gelukkig… met zijn baas en het vrouwtje.