De appels van Theodora

 

Er was eens een meisje met ravenzwart haar en blauwe ogen.

Ze was een teer poppetje en haar vader en moeder waren heel zuinig op haar. Ze kreeg de lekkerste hapjes en sliep in een bedje met een donzen dekbed. Haar vader was kleermaker en hij zei altijd als iets goed ging: “je bent door het oog van de naald gekropen”. De moeder was in een molen opgegroeid en zei altijd: “ Van welke kant de wind ook komt, het koren wordt toch gemalen”. Echte zorgen kende Theodora dan ook niet. Ze zag van alles de zonnige kant. Bij haar wiegje hadden twee kwade petemoeien gestaan, die jaloers op het meisje waren en …..een goede fee, die Theodora wilde helpen. De kwade petemoeien maakten haar soms ziek, dan zat ze bleek in een hoekje of kon ze niet met de andere kinderen buitenspelen, maar de goede fee zei: “ik zorg voor je geluk en vergeet niet wat je vader en moeder altijd zeggen”. Nou dat onthield Theodora wel. Ze trouwde met  een knappe vindingrijke man en ging ten zuiden van haar geboorteplaats wonen. Ze was al bijna dertig en ze dacht: “mijn vader heeft gelijk. Ik ben door het oog van de naald gekropen”. De lelijke petemoeien gingen in de buurt wonen, maar Theodora dacht aan wat haar moeder had gezegd: “Van welke kant de wind ook komt, het koren wordt gemalen". De goede fee hield een oogje in het zeil. Op een dag bracht Harrie zijn vrouw Theodora naar een boomgaard en liet haar de prachtige fruitbomen zien. De goede fee, die meegereisd was wees Theodora op een appelboom in het midden van de boomgaard en zei:”Ga onder die boom staan schudt aan de takken en de appels die er uit vallen zijn jouw geluk.” Theodora ging onder de boom staan en schudde aan de takken. Er vielen al snel 5 appels uit, toen schudde ze een tijd voor niets en toen vielen er weer 4 appels uit. Theodora klapte enthousiast in haar handen, de goede fee lachte en zei: “je boft negen vruchten van zuiver goud. Ze zullen veranderen in negen kinderen en zoals ik al zei; ze vormen jouw geluk”. Theodora keek een beetje bedenkelijk en zei: “Negen kinderen en wat moet dat dan met mij?” Harrie was er bij komen staan en bewonderde de mooie appels en de fee glimlachte en verdween uit het gezicht nadat ze Theodora een bemoedigend klapje op de schouder had gegeven. Het werk van Harrie ging goed. Ze kregen een mooi huis en hadden het druk, zo druk dat Theodora nauwelijks tijd had om haar eerste kindje te wiegen. Het was zo’n mooi meisje en ze kon al snel goed zingen en ze werkte mee als de beste. Na een jaar kregen ze een zoon, een harde werker die vooral zijn vader hielp. Het derde kind was weer een meisje en zij kon heel goed de kinderen die na haar kwamen bezighouden. Daarna kwam als vierde weer een zoon, die uitblonk door zuinigheid, hij kon allerlei oude spullen een nieuw leven geven. De vijfde was een zoon: een dromer en een denker en goed gezelschap. De zesde weer een zoon: een die risico’s durfde nemen en altijd meer plannen tegelijk had. Toen was het 3 jaar stil. Theodora kreeg tot groot geluk van het gezin weer een zoon, met grote donkere ogen, die door iedereen opgepakt en vertroeteld werd. Hij werd net als zijn vader een echte muziekliefhebber en verzamelaar. Toen kwam er weer een meisje, dat de dierenliefde van haar beide ouders deelde. Tenslotte een jongen, die het optimisme van zijn moeder deelde en het acteertalent van haar familie had. De petemoeien in de buurt gaven hun wel eens zorgen, want die werden flink jaloers op het gezinsgeluk, ze gooiden soms modder op de vloer en dan moesten de kinderen schrobben of ze gooiden roet in het eten en dan moest er opnieuw worden gekookt. Of er sprongen giftige padden uit hun mond en de kinderen moesten die dan zoeken. Soms huilde Theodora wel eens of kreeg hoofdpijn, omdat ze roet in het eten vond of een dode pad in de soep, maar soms haalde ze haar schouders op en zei: “Zie je wel we zijn weer door het oog van de naald gekropen of het koren wordt toch wel gemaald!” De goede fee kon daar niets aan veranderen, maar de kinderen wel, die trokken soms achter de rug van de petemoeien een gek gezicht of maakten een lange neus en ze geloofden vooral niet wat die lelijke vrouwen zeiden. Toen de zaken minder goed gingen en ze moesten verhuizen dacht Theodora weer aan wat haar ouders gezegd hadden en kijk ze kregen geld en dekens en kleding Harrie kreeg ook ander werk De kinderen werden groot en groeiden uit het huis. De goede fee bewaarde het stuifmeel van de wonderboom en strooide dat uit in de Papaverstraat in een dorpje vlakbij het stadje waar Harrie en Theodora al weer jaren gewoond hadden. En zie: er verrees een echt paleisje mat een prachtige tuin, vol bomen waarin vogels huisden en ook een verblijf voor kippen en een konijn. Harrie en Theodora genoten van die jaren waarbij de kinderen op bezoek kwamen en de eerste kleinkinderen geboren werden. Theodora had voor het eerst tijd om een paar uur per dag in de tuin te zitten of piano te spelen onder leiding van een van haar schoonzoons. Soms kneep ze haar ogen half dicht en zei: “ja, ja ik ben door het oog van de naald gekropen, en het koren is gemalen!” De petemoeien waren vanzelf doodgegaan, nadat ze zelfs aan het eind nog aardig geworden waren. (van de ouderdom) Er leek geen vuiltje aan de lucht. Op een dag was Harrie moe, ging naar bed en is niet meer opgestaan. De goede fee stond bij Theodora, hield de hand op haar schouder en zei:”Ja,ja, hij is nu alleen op reis gegaan. Theodora kreeg niet veel tijd om er bij stil te staan, want met het laatste beetje bloesemstuifmeel toverde de goede fee een nieuw paleisje voor Theodora, waar ze geheel verzorgd en bediend werd. Theodora was wel langzamerhand wat moe en ach ze vergat af en toe belangrijke zaken, bijvoorbeeld dat ze getrouwd was of hoeveel kinderen ze gehad had en hoe ze heetten. De kinderen belegden een bijeenkomst, waar ook de goede fee bij betrokken was. Ze legden de goede fee het volgende voor: We willen bij onze moeder een geheugenchip inbrengen zodat ze weer wordt als vroeger. Probeer maar zei de goede fee en haar ogen twinkelden. De chip, die heel klein was, kon achter het oor bevestigd worden en via huidcontact verbinding met de hersenen maken. Vol verwachting bleven de kinderen een hele dag bij hun moeder om te zien wat er zou gebeuren. Om 8 uur nog niets, om 9 uur niets en toen om 10 uur. Theodora begon als een wervelwind door de kamer te lopen en ging de leiding van het huis de les lezen, met een vinger ging ze over dekast en zei er moet nodig gestoft worden en ze wilde eten koken en bedden van de hele afdeling opmaken, ze wilde soep maken en begon te huilen toen er geen soeppan en geen vlees was, ze vloog naar de piano in de woonkamer en speelde een beroemde pianosonate van Mozart in A-groot zonder fouten, daarna begon ze alle liedjes van “zoals de ouden zongen piepen de jongen“ achter elkaar te zingen en eindigde met Ave Maria, waarna ze in elkaar zakte. Ze ruste een kwartier, daarna deed ze haar ogen open en begon alle kinderen een voor een te ondervragen en tenslotte wou ze in de regen zonder jas aan de dieren gaan voeren van de kinderboerderij. Ademloos keken de kinderen toe. Ik word er gek van zeiden ze hoofdschuddend. Die chip moet eruit of we knappen af. Wij zijn ook geen twintig meer. Zo gezegd zo gedaan. Theodora lag uitgeteld in bed en alle kinderen sliepen om haar heen. Na een paar uurtjes tikte de goede fee hen op de schouder en zei: “kijk goed wat er nu gaat gebeuren. Ze wordt wakker en luister wat ze zegt”. Allemaal keken ze. Theodora zat overeind en zei:”Het is een mooi leven. Ik ben door het oog van de naald gekropen en het koren wordt gemalen, van welke kant de wind ook komt, wie zijn jullie en wat doen jullie hier!” Zie je wel zei de fee: “Ze heeft nu geen zorgen, straks dommelt ze wat in het zonnetje of achter de verwarming en ze ziet wel wat er komt.” Zo leefde Theodora nog een hele tijd op haar gemak. De fee deed ook rustig aan. Zij was tenslotte ook zo jong niet meer.

En iedereen was weer tevreden