Bobbie

 

 
Bobbie, was een jongen van 6. Hij was wat klein voor hem leeftijd, maar dat vond hij niet erg, zo kon hij nog goedkoop de bus en de dierentuin in, en kreeg hij overal hulp bij, zo ook bij zijn hut.
Bobbie wilde al heel lang een hut, niet zomaar een hut nee een hele echte boomhut, waar je alles, in kon doen bijvoorbeeld spelen met andere kinderen, of slapen of lekker eten.
Nu had hij al een mooie tekening gemaakt hoe de hut eruit moest zien, maar wie kon hij nu eens in schakelen, die hem kon helpen.
Zijn vader was er weinig, die was altijd op zakenreis, zijn moeder werkte ook 4 dagen in de  week en de oppas vond hij ook maar niks die zat liever met een sigaretje en haar vriendje in een luie stoel, of met hem te bellen.
Nee, er moest iemand zijn, iemand die héééééél graag wilde helpen, en die net zo weg was van boomhutten als hij.
Bobbie ging al zijn vrienden af in gedachten, maar eigenlijk kon hij niemand bedenken. Hij droomde er zelfs van.
Hij droomde dat hij iemand had gevonden. Niet zomaar iemand, nee, het was een oude man, die net als hij graag rust had en graag hoog woont. Hij had wel een rare muts op en een rode cape, en een lange witte baard, maar hij was wel heel lief.
Samen gingen ze op zoek naar hout en spijkers en ze gingen aan de slag om een hele mooie hut te bouwen. Ze waren dag en nacht bezig. Ze aten alleen maar een bepaalde noot, deze smaakte wat naar koek, maar was erg lekker.
Toen de hut stevig stond en bijna klaar was, gingen ze op zoek naar verf om hem te schilderen en gordijnen te kopen voor de 2 raampjes.
Oh wat was hij prachtig, zo mooi rood, met blauw witte gordijnen. De oude man vond hem ook prachtig , hij zei: “We hebben een mooi huis gemaakt Bobbie , een echt huis waar we altijd even tot rust kunnen komen, een huis alleen voor je zelf.”
“O”, zei Bobbie , “Maar u heeft zo goed geholpen , als u moe bent mag u hier altijd even uitrusten, dit is ook uw huis.”
“Dat is fijn Bobbie, heel erg bedankt”, en de oude man ging weg op zijn paard.
Bobbie werd wakker, en keek om zich heen. Jeetje wat had hij gedroomd, het leek zo echt. Hij rekte zich uit, en ging naar de badkamer. Toen hij langs het raam aan de zijkant van het huis kwam, keek hij even door het raam, daar stond de oude eik , maar wat was dat?
Was het niet gedroomd ? Was het echt? O, nee , het was super! Bobbie rende naar beneden, drukte de deur open en liep, op zijn blote voeten de sneeuw in, naar de oude eik.
“O, wat mooi!”, gilde hij ,”Een echte boomhut , jippie!” Hij danste om de boom heen. Hij was nog nooit zo blij geweest.
Maar er was een probleem; Hoe kwam hij in die hut? Er was geen trap, er waren geen holtes in de boom waar hij zijn voet in kon zetten, en hij was te klein om er in te klimmen.
Voor de eerste keer in hem leven vond hij het erg dat hij te klein was, hij huilde grote tranen; Zo vond de oude man hem op de grond.
“Wat is er met jou Bobbie?” , zei de oude man. Bobbie keek op; “Hé ,dat was de oude man”, dacht hij.
“Wie bent u” , zei Bobbie , “Ik heb u al wel eens eerder gezien, maar dat was in mijn droom.”
“Ik”, zei de oude man , “Ik ben Sinterklaas, en dit is mijn paard. Maar waarom huil jij zo?”
“O”, zei Bobbie, “Ik heb een mooie hut, alleen ik kan er niet in, ik ben te klein.”
“Oh, maar dat probleem is zo opgelost hoor”, zei Sinterklaas.
Hij floot het paard en tilde Bobbie erop, en nu kon Bobbie wel bij de hut.
“O”, riep hij, “Dank u, wat geweldig! Wilt u een kopje thee?”
Nou dat wilde Sinterklaas wel, en samen dronken ze een kopje, maar toen moest Sinterklaas weg.  “Ik moet verder Bobbie”, zei hij, “Ik moet andere kindjes hun kadootje brengen. Ik zie je volgend jaar weer”. “Echt?”, zei Bobbie, “Nou dan bedank ik u dat u mij in mijn hut hebt geholpen.”
“Nou”, zei Sinterklaas, “Dat was geen moeite. Ik zet er en ladder neer dan kan je er ook weer uit, Oké?”
Ja dat vond Bobbie geweldig, zijn eigen ladder om er zo vaak als hij wilde in zijn boomhut te klimmen en er weer uit te kunnen.
Hij bedankte Sinterklaas , en ging gauw zijn eigen huis weer in.
“Tot volgend jaar!”
 
© kinderverhaaltje auteur Tim Gras